Omdat het nooit vergeten mag worden….. – een speech van mijn vader: Jan de Vries

Mijn vader heeft op 12 januari 1982 het verzetsherdenkingskruis gekregen. Hij heeft nooit met mij over de oorlog willen praten en ik weet maar heel weinig van wat mijn vader heeft meegemaakt. De dodenmars naar de Oostzee ken ik alleen uit de geschiedenisboeken; pas veel later heb ik gelezen dat mijn vader daar dus ontsnapt is! Hij heeft ooit een speech gegeven die ik altijd bewaard heb. Het was ooit de bedoeling om alles wat er over mijn vader in de kranten had gestaan, te bundelen en uit te geven, maar daar is het helaas nooit van gekomen. Ik heb nog maar een paar dingen van hem, maar wil dit nu toch via het “wereld wijde web” met iedereen delen, in de hoop dat het inderdaad nooit vergeten zal worden.

Pap, voor U: 

8 december 1980 

Roland Hatter, een Fransman, een rustige knaap van ongeveer 28 jaar, een goede kameraad, was net als wij gelogeerd in Oranienburg Sachsenhausen. 

Het was zomer 1942, een echte zomer, een hemelsbreed verschil met de afgelopen winter ‘41- ‘42, die gelukkig achter ons lag. Deze had vele, ja zeer vele slachtoffers geëist. 

Zoals bijna alle ‘vakantieoorden’ geeft een zomer meer mogelijkheden dan een winter en zeker een winter met 30 graden vorst wat wij hadden meegemaakt. 

Roland en ik bewoonden hetzelfde ‘appartement’ met nog een paar anderen. Wij aten aan dezelfde tafel en sliepen in dezelfde slaapkamer… met nog een paar anderen. 

Roland had thuis in Parijs een hobby en dat was koken, bakken en braden. Ook dat ging echter niet in dit kuuroord, daar zorgde de kok voor. 

Ondanks zijn rustige gelijkmatige humeur ergerde hij zich aan de bediening tijdens de maaltijden. 

In zijn Vaderland was hij officier bij de Luchtmacht en was hij gewend in de officiersmess zijn lunch en diner te gebruiken, waar hij keurig werd bediend en de wijn voor hem werd ingeschonken. 

Maar het spreekwoord zegt, alles went’ en dat is ook zo, maar wij waren het allebei wel gloeiend eens dat onze volgende vakantie ergens anders zou zijn. 

Wat wij toen niet wisten was dat die volgende vakantie NOG JAREN zou uitblijven. 

Er was nog iets waar Roland zich niet mee kon verenigen en dat waren de toiletten. 

Door het overdadig en rijkelijk voedsel at men veel te veel waardoor men dan ook veelvoudig van die toiletten gebruik moest maken, meestal hardlopend. Dat kwam volgens ons door de krachtige soep. Er werd nogal vaak koolraap in verwerkt en dat is laxerend, heeft men mij verteld. 

Maar wel voedzaam, volgens de ‘Edel Germanen’, en dat is ook zo, want na de grote vakantie in 1945, woog Roland 78 pond en ik 86 pond, schoon aan de haak. Nou, schoon, niet helemaal, het was altijd nogal druk in de badkamers van ons ‘hotel’. 

Doch nu heb ik nog niet verteld wat Roland zo hinderde aan die toiletten, nu dat is gauw verteld; men zat met 8 man op een rijtje zijn boodschap te doen. Roland deed zijn boodschappen liever alleen, ik was het met hem eens. 

Wij werden in de zomer van 1943 allebei tewerkgesteld in de stad Oranienburg, daar werd een hoofdriool gelegd. 

Iedere morgen om 6 uur marcheerden wij met 60 man, Roland en ik, de rest Polen en Russen, onder strenge bewaking naar de stad en kwamen rond 6 uur ‘s avonds weer terug, enige kameraden mee sjouwend, die niet meer konden. 

Het grondwerk werd met de hand gedaan. De groeve was 4 meter diep en alles moest met de schop naar boven worden gebracht. 

Vanzelfsprekend hadden wij bekijks. Het was zomer, er wandelden veel vrouwen met of zonder kinderen. 

Daar onze kleding nu niet van de laatste mode was, vol met strepen, vroegen de kinderen aan hun moeder, wat zijn dat voor mensen, waarom werken die zo hard en waarom staan die soldaten met geweren erbij? 

Dan kwam het antwoord van die moeders. PAS OP, dat zijn VERRADERS, inbrekers en moordenaars en men liet de kinderen op ons spuwen, onder het grijnzen van de krijgshaftige edel germanen. 

Dat is VERSCHIRKKELIJK, nooit, maar dan ook NOOIT zullen wij dit vergeten, 
maar Roland en ik zullen het deze MOFFEN ook NOOIT maar dan ook NOOIT vergeven. 

Jammer dat er in het sanatorium geen prettige dingen gebeurd zijn, ik zou ze, zo zij er waren geweest, gaarne verteld hebben, maar helaas ik kan het niet. 

Er was wel kameraadschap, daar kon men niet buiten. Roland heeft mij vaak opgemonterd, ik dacht van omgekeerd ook, wij hadden houvast aan elkander. 

Dan komt na lange jaren April 1945. De geruchten gaan dat het kamp ontruimd zal worden, de Russen staan bij de Oder, en de Amerikanen bij de Elbe. 

Inderdaad eind April, ik meen op een zaterdag, wordt er bekend gemaakt, door de commandant, vanavond om 5 uur wordt er afgemarcheerd en er werd bijgevoegd: een ieder die uitvalt of achterblijft wordt geliquideerd. 

Een stoet van 25000 mensen verlaat in de de vooravond het kamp, een tocht die volgens geruchten zou gaan naar de Oostzee. 

Ik spaar U de bijzonderheden van deze tocht, welke Roland en ik 5 dagen meemaakten. Na de 5e dag was ik aan het eind van mijn latijn. 

Aan het einde van die 5e dag, werd haltgehouden in een bosrijke streek, waar men de nacht onder de blote hemel zou doorbrengen. 

Diezelfde avond besloten wij de vlucht te nemen, hetgeen ook gebeurde. Door de vrij grote afstanden tussen de soldaten op wacht was ik ervan overtuigd dat men ons niet zou volgen; dan werd het gat in de uitgezette posten te groot, hetgeen zeker grotere gevolgen zou hebben. 

Het is mij nog steeds ONBEGRIJPELIJK, dat wij ondanks onze uitputting, zo hard konden lopen, maar dit blijkt te kunnen, als het om je leven gaat .. en dat ging het. 

Er werd op ons geschoten, doch wij hadden geluk en liepen in de richting van het Westen. 

Na 2 dagen en een nacht, ontdekte Roland op een bouwland, Franse krijgsgevangenen. Deze waren bij een grote landbouwer tewerkgesteld. Deze mensen hebben ons verzorgd TOT EN MET!!! 

Enige dagen later kwamen de Russen, die ons correct hebben behandeld. Na enige weken mochten wij naar de geallieerde zijde, waar wij weer enkele weken later, naar huis mochten. Roland naar Frankrijk en ik naar Holland. 

Een klein jaar daarna, werd onze zoon geboren, hij kreeg de naam voor zijn leven, Roland. 

Lieve mensen weet u dat wij allen bevoorrecht zijn door hier bijeen te kunnen zijn en verder hebben mogen leven? 

Laten wij dankbaar zijn, zolang wij nog mogen leven. 

Ik dank U voor Uw aandacht. 

Jan de Vries 1913- 1984 

Ik heb de tekst onveranderd overgenomen van mijn vaders aantekeningen. De met hoofdletters gespelde woorden, waren door hem dik onderstreept. Een vriend van ons heeft dit onlangs gelezen en hij vertelde mij dat het best bijzonder is om zoiets als dit te lezen. Er is heel veel geschreven over de 2e wereldoorlog, maar er zijn maar heel weinig verslagen ‘uit de eerste hand’ bekend. Vandaar dus, dat ik dit op mijn website heb gezet. Ik hoop dat veel mensen het zullen lezen en er stil bij willen staan dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. 

 

©Loes Raaphorst 03/2020